ECLI:NL:RVS:2018:278
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens reeds verleende vergunning
De vreemdelingen hadden bij besluiten van 17 augustus 2016 aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen gekregen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde hun beroep tegen deze besluiten ongegrond. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep gaven de vreemdelingen aan dat zij inmiddels nieuwe verblijfsvergunningen asiel hebben ontvangen op basis van nieuwe aanvragen, en dat zij met het hoger beroep beogen een eerdere ingangsdatum van die vergunningen te verkrijgen. De Raad van State overwoog dat vernietiging van de eerdere besluiten zou leiden tot nieuwe besluiten, maar dat artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 in de weg staat aan toewijzing van de aanvragen omdat de vreemdelingen reeds in het bezit zijn van verblijfsvergunningen.
De Raad van State stelde vast dat het belang van de vreemdelingen bij inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep ontbreekt zolang zij reeds verblijfsvergunningen bezitten. Het beroep werd daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdelingen reeds in het bezit zijn van verblijfsvergunningen asiel.