ECLI:NL:RVS:2018:2779
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.G. Lubberdink
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering omgevingsvergunning voor woning met permanent gebruik in strijd bestemmingsplan
Appellant sub 1 vroeg een omgevingsvergunning aan voor het slopen van een bestaande woning en het bouwen van een nieuwe woning op een perceel te Zoutelande. De vergunning ontstond van rechtswege omdat het college niet tijdig besliste. Omwonenden, waaronder appellant sub 2, maakten bezwaar. Het college herroept het besluit en weigert alsnog de vergunning omdat het gebruik als recreatiewoning in strijd zou zijn met het bestemmingsplan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant sub 1 ongegrond en oordeelde dat redelijkerwijs aangenomen kon worden dat de nieuwe woning mede recreatief gebruikt zou worden. Appellant sub 1 stelde in hoger beroep dat hij de woning permanent wil laten bewonen, niet recreatief verhuren. De Afdeling oordeelde dat het college niet redelijkerwijs mocht aannemen dat de woning recreatief verhuurd zou worden en dat verhuur voor permanente bewoning wel is toegestaan volgens het bestemmingsplan.
Het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 over een vermeende fout in de toegestane goothoogte faalde. Het college stelde dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure niet van toepassing was; dit werd door de Afdeling bevestigd. De Afdeling vernietigde het besluit van het college en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellant sub 1.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd en het beroep van appellant sub 1 wordt gegrond verklaard.