AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit intrekking SNL-subsidie en herstel subsidie door college Zeeland
In deze bestuursrechtelijke zaak stond het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland centraal om de SNL-subsidie van appellanten in te trekken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat het college de subsidie onterecht had ingetrokken. De intrekking was gebaseerd op een aanvraag van een onbevoegde persoon, waardoor appellanten niet de schijn van volmachtverlening konden worden toegerekend.
De Afdeling gaf het college de opdracht om het besluit van 3 augustus 2015 alsnog toereikend te motiveren of een ander besluit te nemen. Het college heeft vervolgens bij besluit van 25 juni 2018 het bezwaar gegrond verklaard en het eerdere besluit herroepen, waardoor de subsidie herleefde. Appellanten hebben geen nadere opmerkingen gemaakt tegen dit nieuwe besluit.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het besluit van het college van 3 augustus 2015. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellanten. Hiermee is het besluit tot intrekking van de subsidie ongedaan gemaakt en is de subsidie vastgesteld voor het betreffende tijdvak.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de SNL-subsidie is vernietigd en de subsidie is hersteld, met veroordeling van het college tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak
201607315/2/A2.
Datum uitspraak: 22 augustus 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B] en [appellante C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 augustus 2016 in zaak nr. 15/6180 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Zeeland.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1368, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, het besluit van 3 augustus 2015 alsnog toereikend te motiveren, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist, het bezwaar gegrond verklaard en - voor zover van belang - het besluit van 19 mei 2014 herroepen.
[appellant] heeft een zienswijze ingediend.
De Afdeling heeft, met gebruikmaking van de in artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde bevoegdheid, bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek in de zaak gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 25 april 2018 geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte de SNL-subsidie van [appellant] heeft ingetrokken. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de daaraan ten grondslag liggende aanvraag om intrekking door een daartoe onbevoegde persoon is gedaan en dat [appellant] niet de schijn van volmachtverlening kan worden toegerekend. Omdat het college zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat het ook los van de aanvraag om intrekking kon besluiten tot intrekking van de subsidie, heeft de Afdeling het college opgedragen de intrekking alsnog toereikend te motiveren, of in plaats daarvan een ander besluit te nemen.
2. Het college heeft uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak door bij besluit van 25 juni 2018 opnieuw op het bezwaar te beslissen, het bezwaar gegrond te verklaren voor zover dat zag op beheereenheid 1, en in zoverre het besluit van 3 augustus 2015 te herzien en het primaire besluit van 19 mei 2014 te herroepen. Daardoor herleeft de SNL-subsidie. Omdat het tijdvak voor die subsidie liep tot 31 december 2015, zal de subsidie bij apart besluit direct worden vastgesteld.
3. De Afdeling heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het besluit van 25 juni 2018 in te dienen. Bij brief van 24 juli 2018 heeft [appellant] te kennen gegeven geen aanleiding te zien voor nadere opmerkingen.
4. Uit de tussenuitspraak volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2015 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.
5. Uit de zienswijze van [appellant] op het nieuwe besluit van het college volgt dat hij zich daarmee kan verenigen, zodat geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 vanPro de Awb is ontstaan, waarop nog dient te worden beslist.
6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 augustus 2016 in zaak nr. 15/6180;
III. verklaart het beroep van [appellant A], [appellant B] en [appellante C] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 3 augustus 2015 gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 3 augustus 2015, kenmerk 492-7727 492-9499;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zeeland tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B] en [appellante C] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zeeland aan [appellant A], [appellant B] en [appellante C] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.