ECLI:NL:RVS:2018:2695
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling en minderjarige kinderen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 maart 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf voor haarzelf en haar minderjarige kinderen af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond bij besluit van 16 december 2016. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 30 juni 2017 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de identiteit en familierelatie van de vreemdeling niet de nieuwe vaste gedragslijn volgde die in eerdere uitspraken was vastgesteld. De staatssecretaris had geen onofficiële documenten betrokken bij zijn beoordeling, wat in strijd was met deze gedragslijn. Hierdoor was de motivering van het besluit ondeugdelijk.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 16 december 2016, en verklaarde het beroep gegrond. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De zaak werd hiermee zelf afgedaan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt vernietigd.