ECLI:NL:RVS:2018:2610
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling werd op 23 mei 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de maatregel van bewaring niet rechtsgeldig tot stand was gekomen op het moment van uitreiking, omdat het document niet was ondertekend. Pas later werd het formulier elektronisch ondertekend, maar deze maatregel is niet aan de vreemdeling uitgereikt en trad daardoor niet in werking. Dit vormde een formeel gebrek.
De Afdeling stelde vast dat dit gebrek de inbewaringstelling onrechtmatig maakt, omdat de belangen van de staatssecretaris niet zwaarder wegen dan het formele gebrek en de geschonden belangen van de vreemdeling. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard.
Omdat de vrijheidsontnemende maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. Wel werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend over de periode van 23 mei tot 21 juni 2018. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend.