ECLI:NL:RVS:2018:2603
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking machtiging voorlopig verblijf met instandhouding rechtsgevolgen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 22 november 2013 een machtiging tot voorlopig verblijf ingetrokken. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 18 juni 2015 ongegrond werd verklaard. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak vast dat het besluit een gebrek vertoonde en gaf de staatssecretaris de gelegenheid dit te herstellen. Na nadere motivering handhaafde de rechtbank het besluit in haar uitspraak van 23 maart 2018, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep stelde de Afdeling vast dat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond had verklaard, omdat het besluit een gebrek bevatte dat niet adequaat was hersteld. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 juni 2015, en verklaarde het beroep gegrond. Echter, de rechtsgevolgen van het besluit blijven volgens de Afdeling ongewijzigd van kracht.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep, en tevens tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het hoger beroep werd daarmee gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met behoud van de rechtsgevolgen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.