ECLI:NL:RVS:2018:240
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand voor bezwaar en voorlopige voorziening tegen CBR-besluit
Appellant heeft een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor bezwaar en voorlopige voorziening tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs te schorsen en hem te verplichten mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. De raad wees deze aanvragen af omdat het een laagdrempelige en eenvoudige procedure betreft waarbij appellant zijn belangen zelf kan behartigen.
De rechtbank oordeelde dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen, omdat appellant zelf argumenten kon aandragen, zoals het overleggen van het vonnis van de politierechter en het aanvoeren van te late informatieverstrekking door het CBR. Ook kon hij in de voorlopige voorziening het belang van het opheffen van de schorsing onderbouwen met een stageverklaring.
Appellant stelde dat de zaak juridisch complex is vanwege het ne bis in idem-beginsel en de uitleg van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en dat hij zonder advocaat niet in staat is dit juridisch te onderbouwen. De Raad van State oordeelde dat dit onvoldoende is om de zaak als complex te kwalificeren, mede gelet op het beleid van de raad en eerdere jurisprudentie. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand wegens onvoldoende complexiteit van de procedures.