ECLI:NL:RVS:2018:2249
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring gegrond wegens onvoldoende medewerking bij vaststelling identiteit
De vreemdeling werd op 28 april 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de maatregel van bewaring terecht is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling niet of onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Hoewel de vreemdeling verklaarde zijn identiteit niet te herinneren en niet mee te willen werken, is dit onvoldoende om de maatregel te verwerpen.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de maatregel van vreemdelingenbewaring blijft in stand.