ECLI:NL:RVS:2018:2234
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- A.B.M. Hent
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontheffing afschot broedparen ganzen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland verleende op 28 januari 2016 een ontheffing aan de Faunabeheereenheid om broedparen van diverse ganzensoorten af te schieten ter beperking van schade aan gewassen. De Faunabescherming maakte bezwaar tegen het besluit en stelde onder meer dat schade aan grasland geen belangrijke schade is en dat er onvoldoende motivering was voor de ondergrenzen van het aantal te doden ganzen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de Faunabescherming hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat artikel 68 van Pro de Flora- en faunawet geen onderscheid maakt tussen soorten gewassen en dat schade aan grasland wel degelijk als belangrijke schade kan worden aangemerkt. Het college had een ruime beoordelingsruimte bij het bepalen van belangrijke schade en de ondergrens van € 250,- schade was passend. Ook hoefde het college het gebied en de gewassen niet nader te specificeren, omdat het Ganzenbeheerplan voldoende inzicht gaf. De Afdeling vond dat het college aannemelijk had gemaakt dat afschot als onderdeel van een samenhangend pakket maatregelen effectief kan zijn, ondanks onzekerheden over het effect op broedparen.
Verder werd geoordeeld dat het college terecht onderscheid maakte tussen overwinterende en overzomerende ganzen en dat het beleid van 2009 niet meer bindend was. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van Stichting De Faunabescherming wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.