ECLI:NL:RVS:2018:2160
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende motivering risico onttrekking toezicht
De vreemdeling werd op 19 februari 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat er een concreet aanknopingspunt was dat de Dublinverordening op hem van toepassing was en een significant risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank had op 5 maart 2018 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de motivering van het risico op onttrekking aan toezicht ondeugdelijk was. De lichte gronden, zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het niet beschikken over voldoende middelen, behoeven geen nadere op de vreemdeling toegespitste motivering. Daarnaast was de zware grond dat de vreemdeling zich eerder aan toezicht had onttrokken feitelijk juist.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af. De Afdeling bevestigde dat de bewaring gerechtvaardigd was gezien het concrete risico op onttrekking aan toezicht.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling gehandhaafd.