ECLI:NL:RVS:2018:2091

Raad van State

Datum uitspraak
22 juni 2018
Publicatiedatum
25 juni 2018
Zaaknummer
201803706/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen vreemdelingenbewaring

Bij besluit van 15 maart 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring niet-ontvankelijk bij uitspraak van 24 april 2018. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State stelde vast dat het hoger beroep tijdig was ingediend en beoordeelde de aangevoerde gronden. Deze voldeden aan de formele vereisten van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar boden geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen vragen opgeworpen die van belang waren voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 22 juni 2018.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

201803706/1/V3.
Datum uitspraak: 22 juni 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 april 2018 in zaak nr. NL18.6700 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
De rechtbank heeft desgevraagd schriftelijke inlichtingen gegeven.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Uit de schriftelijke inlichtingen van de rechtbank blijkt dat de aangevallen uitspraak, anders dan daarin staat, niet op 23 april 2018 maar op 24 april 2018 bekend is gemaakt door plaatsing in het digitale dossier in Mijn Rechtspraak. Het hogerberoepschrift is op 1 mei 2018 bij faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen. Het hoger beroep is daarom tijdig ingesteld.
2.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
3.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2018
47.