ECLI:NL:RVS:2018:2078
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen wijziging geluidproductieplafonds A16 en N3
De minister heeft op verzoek van Rijkswaterstaat de geluidproductieplafonds op 148 referentiepunten langs de A16 en N3 gewijzigd. Appellant, wonende nabij de A16, ervaart geluidoverlast en vreesde dat deze zou toenemen door de wijziging. Hij stelde beroep in tegen het besluit.
Het college stelde dat appellant niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het geluidproductieplafond ter hoogte van zijn woning juist werd verlaagd. De Afdeling oordeelde dat appellant wel degelijk belang had bij het beroep omdat hij een lagere geluidbelasting nastreefde dan het besluit biedt.
Appellant voerde aan dat het besluit ten onrechte geen geluidsscherm voorziet, dat cumulatie van geluid niet juist is meegenomen, dat geluidmetingen hadden moeten plaatsvinden en dat onderzoek naar geluidwerende maatregelen ontbrak. De Afdeling verwierp deze gronden, stellende dat de minister de geluidbelasting juist heeft berekend volgens wettelijke normen, dat geluidsschermen niet doelmatig waren geacht, en dat onderzoek naar maatregelen uiterlijk twee jaar na onherroepelijkheid van het besluit moet plaatsvinden.
Verder wees de Afdeling het beroep af dat luchtkwaliteitsaspecten onvoldoende waren meegenomen, aangezien dit niet binnen het toetsingskader van het besluit valt. Het beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg het griffierecht terugbetaald vanwege samenhang met een ander beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot wijziging van geluidproductieplafonds langs de A16 en N3 is ongegrond verklaard.