ECLI:NL:RVS:2018:2071
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling onrechtmatig in bewaring gesteld ondanks rechtmatig verblijf door schorsende werking beroep
De vreemdeling werd op 29 maart 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld nadat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en betoogde dat hij rechtmatig verblijf had vanwege de automatische schorsende werking van het beroep tegen het afwijzingsbesluit.
De Raad van State oordeelde dat het beroep inderdaad automatisch schorsende werking heeft op grond van artikel 82 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waardoor de vreemdeling rechtmatig verblijf had volgens artikel 8, onder h, van die wet. Hierdoor kon de bewaring niet op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, worden opgelegd, omdat deze alleen geldt voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.
De bewaring was daarmee vanaf het begin onrechtmatig. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van 29 maart tot 7 mei 2018, de dag waarop de bewaring werd opgeheven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig vanwege rechtmatig verblijf door de schorsende werking van het beroep; het hoger beroep wordt gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend.