ECLI:NL:RVS:2018:2037
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vernietiging besluit handhaving gebruik tuinhuisje in strijd met planregels
Het college van burgemeester en wethouders van Hattem verleende op 16 juli 2015 een omgevingsvergunning voor de legalisering van een tuinhuisje op het perceel van appellant sub 1. Dit tuinhuisje was in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied 2007" gebouwd en werd gebruikt als speelhuisje en voor incidentele overnachtingen. Appellant sub 2 verzocht handhaving tegen het gebruik van het tuinhuisje, waarop het college gedeeltelijk handhavend optrad tegen de verhuur als recreatiewoning, maar overige handhaving weigerde. De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte het handhavingsverzoek tegen het gebruik had afgewezen vanwege de permanente aanwezigheid van stapelbedden in het tuinhuisje, wat strijdig was met de vergunning.
Appellant sub 1 stelde in hoger beroep dat de rechtbank onterecht niet had overwogen welk wettelijk voorschrift werd overtreden en dat het gebruik na maart 2015 slechts incidenteel was. Ook betwistte zij de constatering van permanente stapelbedden. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht het begrip bewoning uitlegde als duurzaam gebruik en dat de inrichting van het tuinhuisje niet strookte met het beoogde gebruik. De stelling dat na maart 2015 geen meer dan incidenteel gebruik plaatsvond, was voor de juridische beoordeling niet relevant.
In het incidenteel hoger beroep voerde appellant sub 2 aan dat de rechtbank onduidelijkheid had gecreëerd over het begrip bewoning en dat het college niet redelijk had kunnen besluiten tot vergunningverlening. De Afdeling verwierp deze gronden en bevestigde de uitleg van de rechtbank. Het college had bovendien niet voldaan aan de uitspraak van de rechtbank in het latere besluit van 20 juni 2017, waardoor dat besluit werd vernietigd. De Afdeling veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellant sub 2.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant sub 1 en het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 zijn ongegrond; het besluit van 20 juni 2017 wordt vernietigd.