ECLI:NL:RVS:2018:1896
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in asielverblijfsvergunningprocedure
De staatssecretaris heeft op 4 juli 2017 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de gronden van het beroep te laat digitaal waren ingediend zonder geldige reden.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank het technisch onderzoek naar de late indiening niet aan partijen had meegedeeld en hen niet in de gelegenheid had gesteld hierop te reageren, wat in strijd is met het hoor en wederhoor-beginsel. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring op ondeugdelijke gronden gebaseerd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €501,00 die verband houden met de beroepsmatige rechtsbijstand van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.