ECLI:NL:RVS:2018:1812
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning en proceskostenveroordeling staatssecretaris
Bij besluit van 18 september 2017 verklaarde de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk en verhoogde het inreisverbod naar vijf jaar. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Tijdens de procedure wijzigde de staatssecretaris het inreisverbod op 25 april 2018 door de duur ervan te verlagen naar twee jaar, waarmee hij de vreemdeling tegemoetkwam. Hierdoor had de vreemdeling geen belang meer bij beroep tegen deze wijziging.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, omdat de staatssecretaris hem tegemoet was gekomen in het inreisverbod. De proceskostenvergoeding bedroeg €1.503,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt bevestigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.