ECLI:NL:RVS:2018:1694
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit kinderopvangtoeslag en terugvordering bij flexibele arbeid
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om de kinderopvangtoeslag over 2014 definitief vast te stellen op basis van 1.059 gewerkte uren, waarbij een bedrag van €3.320,00 aan teveel ontvangen voorschotten werd teruggevorderd.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat het ruime ophogingspercentage van 40% in de regeling voldoende flexibiliteit biedt en dat het niet meenemen van vakantie-uren bij oproepkrachten geen ongerechtvaardigd onderscheid oplevert ten opzichte van werknemers met een vast dienstverband.
In hoger beroep voerde appellant aan dat artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat werknemers met een vast contract gunstiger worden behandeld. De Raad van State oordeelde dat de regeling budgettair beheersbaar moet zijn en dat het uitgangspunt van gewerkte uren voor alle werkende ouders geldt, ongeacht het dienstverband. De exceptieve toetsing van het artikel werd doorstaan en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.