ECLI:NL:RVS:2018:1420

Raad van State

Datum uitspraak
26 april 2018
Publicatiedatum
30 april 2018
Zaaknummer
201803029/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 76, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing uitzettingsuitstel vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 april 2017 het verzoek van de vreemdeling af om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting niet zou worden uitgevoerd. Na bezwaar en beroep verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De staatssecretaris verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat gezien de wettelijke termijn van negentien weken voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar en het ontbreken van spoedeisende omstandigheden, er geen reden was om de voorlopige voorziening toe te kennen.

Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201803029/2/V1.
Datum uitspraak: 26 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2018 in zaak nr. 17/12517 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 2 juni 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
2.    Mede gelet op artikel 76, eerste lid, van de Vw 2000, moet de staatssecretaris binnen negentien weken na de dag van verzending van de uitspraak van 28 maart 2018 op 4 april 2018 een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen. Omdat voor afloop van die termijn een uitspraak op het hoger beroep wordt verwacht en de staatssecretaris geen andere spoedeisende omstandigheden heeft gesteld, is er op dit moment geen spoedeisend belang dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.
3.    Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    wijst het verzoek af;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Borman    w.g. Schuurman
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018
282.