AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige schorsing intrekking erkenning APK-keuringen vennootschap onder firma
Het geschil betreft de intrekking van de erkenning van een vennootschap onder firma voor het uitvoeren van APK-keuringen voor voertuigen tot 3.500 kg en de intrekking van de keuringsbevoegdheid van een individuele verzoeker voor zes maanden. Beide besluiten zijn op 31 mei 2017 genomen en in bezwaar gehandhaafd. De verzoekers zijn in eerste aanleg door de rechtbank afgewezen en hebben daarop hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De voorzieningenrechter heeft op 20 april 2018 mondeling uitspraak gedaan over het verzoek om voorlopige voorziening. De vennootschap onder firma voert aan dat de intrekking een grote financiële impact heeft en de continuïteit van het bedrijf bedreigt, mede doordat een werknemer ook geen keuringen mag uitvoeren. De RDW benadrukt het belang van directe handhaving bij ernstige overtredingen.
De voorzieningenrechter weegt het grote nadeel voor de vennootschap af tegen het belang van handhaving door de RDW. Gezien de aanzienlijke financiële gevolgen acht de voorzieningenrechter het onevenredig nadelig om de sanctie direct uit te voeren en schorst daarom de intrekking van de erkenning van de vennootschap. De sanctie tegen de individuele verzoeker wordt niet geschorst, omdat onmiddellijke handhaving bij ernstige overtredingen gewenst is.
Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de RDW tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vennootschap onder firma. De uitspraak beperkt zich tot de voorlopige voorziening en laat de beoordeling in de bodemprocedure aan de Afdeling.
Uitkomst: De intrekking van de erkenning van de vennootschap onder firma voor APK-keuringen is geschorst, de intrekking van de keuringsbevoegdheid van de individuele verzoeker niet.
Uitspraak
201802859/2/A2.
Datum uitspraak: 20 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
1. De vennootschap onder firma [verzoeker sub 1], gevestigd te [plaats],
2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 23 maart 2018 in zaken nrs. 18/1139, 18/1141, 18/1138 en 18/1140 in het geding tussen:
[verzoeker sub 1],
[werknemer] en
[verzoeker sub 2]
en
de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).
Openbare zitting gehouden op 20 april 2018 om 12.30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter
griffier: mr. J. Wieland
Verschenen:
[verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal;
[verzoeker sub 2] en [werknemer], bijgestaan door Van Schaik, voornoemd;
De RDW, vertegenwoordigd door I.J. Brouwer.
Het geding betreft de intrekking van de erkenning van [verzoeker sub 1] voor het uitvoeren van APK-keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3.500 kg voor onbepaalde tijd en de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid van [verzoeker sub 2] voor zes maanden bij besluiten van 31 mei 2017. Beide besluiten zijn in bezwaar gehandhaafd. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 maart 2018, waarin de beroepen van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] ongegrond zijn verklaard. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben de voorzieningenrechter verzocht de besluiten van 31 mei 2017 te schorsen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.
Beslissing
De voorzieningenrechter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van directie van de Dienst Wegverkeer van 31 mei 2017, kenmerk RN2017/1329, waarbij de erkenning van de vennootschap onder firma [verzoeker sub 1] voor het uitvoeren van algemene periodieke keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3.500 kg voor onbepaalde tijd is ingetrokken;
II. wijst het verzoek voor het overige af;
III. veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij de vennootschap onder firma [verzoeker sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat directie van de Dienst Wegverkeer aan de vennootschap onder firma [verzoeker sub 1] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) vergoedt.
Gronden
- [verzoeker sub 1] voert aan dat zij vrijwel haar volledige omzet en winst behaalt met APK gerelateerde werkzaamheden. De sancties hebben een aanzienlijke financiële impact op het bedrijf en de continuïteit ervan, aangezien ook [werknemer] geen algemene periodieke keuringen mag uitvoeren gedurende de intrekking van de erkenning van [verzoeker sub 1]. [verzoeker sub 1] dreigt als gevolg hiervan haar vaste klanten te verliezen. - De RDW voert aan dat een langdurige opschorting van de sancties niet gewenst is omdat het een ernstige overtreding betreft. De RDW wijst op het belang om bij een ernstige overtreding, op een adequate manier de wet- en regelgeving te kunnen handhaven op basis van lik-op-stuk beleid. - Gezien de complexiteit van de zaak zal de voorzieningenrechter niet vooruit lopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure over de rechtmatigheid van de sancties en zich beperken tot een belangenafweging. - De voorzieningenrechter overweegt dat voldoende aannemelijk is dat de sancties een grote beperking van de bedrijfsvoering van [verzoeker sub 1] tot gevolg hebben en dat de financiële gevolgen daarvan aanzienlijk zijn. Gelet op dit belang acht de voorzieningenrechter het onevenredig nadelig voor [verzoeker sub 1], indien thans vooruitlopend op de behandeling van het hoger beroep en de uitspraak van de Afdeling daarop tot uitvoering van de ten aanzien van haar opgelegde sanctie wordt overgegaan. - Ter zitting hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] te kennen gegeven dat het voor hen een werkbare oplossing is als in elk geval [werknemer] weer keuringen kan uitvoeren. Gelet hierop en gelet op het belang van de RDW bij onmiddellijke handhaving bij een ernstige overtreding, zoals die waarvan hier, naar gesteld, sprake is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de uitvoering van de aan [verzoeker sub 2] opgelegde sanctie vooruitlopend op de behandeling van het hoger beroep en de uitspraak van de Afdeling daarop op te schorten.