ECLI:NL:RVS:2018:1158

Raad van State

Datum uitspraak
6 april 2018
Publicatiedatum
5 april 2018
Zaaknummer
201800500/2/R6
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Hoekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Omgevingsplan Rijnhaven Oost wegens geluid- en geurhinder

De raad van de gemeente Alphen aan den Rijn stelde op 23 november 2017 het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Rijnhaven Oost' vast, gericht op de transformatie van het gebied naar een gemengd woon-werkgebied. Verzoekers, exploitanten van een diervoederbedrijf in het gebied, stelden dat het plan hun bedrijfsvoering belemmert en uitbreiding onmogelijk maakt vanwege niet haalbare geluidsemissienormen en de aanwezigheid van nieuwe milieugevoelige bestemmingen nabij hun bedrijf.

De voorzieningenrechter constateerde dat de raad fouten had gemaakt bij het bepalen van de geluidsemissienormen voor het bedrijf en dat het plan onvoldoende borgt dat nieuwe woningen geen onaanvaardbare geur- en geluidhinder zullen ondervinden. Na overleg tussen verzoekers en de raad werd het verzoek om voorlopige voorziening beperkt tot het schorsen van het plan binnen een zone van 200 meter rond het bedrijf.

De voorzieningenrechter besloot het bestemmingsplan voorlopig te schorsen voor het deel dat de geluidgrenswaarden voor het bedrijf betreft en voegde regels toe die nieuwe geluid- en geurgevoelige objecten binnen 200 meter van het bedrijf verbieden. Tevens werd de raad veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de bodemprocedure.

Uitkomst: Het bestemmingsplan is geschorst voor het deel dat geluidgrenswaarden voor het diervoederbedrijf betreft en nieuwe milieugevoelige objecten binnen 200 meter van het bedrijf zijn verboden.

Uitspraak

201800500/2/R6.
Datum uitspraak: 6 april 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beide gevestigd te Alphen aan den Rijn,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[verzoeker], Steevast Beheermaatschappij B.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 maart 2018, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. ing. L.J. Wildeboer, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van der Velden, advocaat te Breda, mr. E.D. Poot en M. Magnin, zijn verschenen. Verder is Steevast Beheermaatschappij B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. D.O.C. Steketee, ter zitting gehoord.
Overwegingen
1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.    Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein Rijnhaven Oost te Alphen aan den Rijn. Met het plan is beoogd het gebied te transformeren naar een gemengd woon-werkgebied.
3.    [verzoeker] heeft een diervoederbedrijf dat is gevestigd op de percelen [locaties] te Alphen aan den Rijn. [verzoeker] stelt dat het plan niet alleen leidt tot een belemmering voor haar huidige bedrijfsvoering, maar tevens tot een belemmering voor de voorgenomen uitbreiding ervan.
Volgens [verzoeker] kan niet worden voldaan aan de voor haar in het plan opgenomen geluidsemissienormen. Tevens maakt het plan volgens [verzoeker] nieuwe milieugevoelige bestemmingen mogelijk, terwijl in het plan niet is geborgd dat daarmee niet een situatie kan ontstaan die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [verzoeker] wijst er in dat kader op dat het plan nieuwe woningen op zodanig korte afstand van haar bedrijf toestaat dat voor deze woningen geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, in het bijzonder wat betreft mogelijke geur- en geluidhinder.
4.    Bij brief van 8 maart 2018 heeft [verzoeker] bericht dat de raad erkent dat bij bepaling van de in artikel 5, lid 5.1, van de planregels, opgenomen voor [verzoeker] geldende geluidsemissienormen fouten zijn gemaakt. Verder heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat zij haar verzoek om een voorlopige voorziening wijzigt, in die zin dat wat haar betreft alleen dat deel van het plan wordt geschorst dat ziet op een zone van ongeveer 200 m rond haar bedrijfslocatie. Zij wil voorkomen dat in de directe nabijheid van haar bedrijfslocatie nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, kunnen worden gerealiseerd, vooruitlopend op een oordeel van de Afdeling over haar beroep. Op deze manier wordt volgens [verzoeker] eveneens tegemoet gekomen aan derde-belanghebbende Steevast Beheermaatschappij B.V., omdat de woningbouwlocatie, waarop het door Steevast Beheermaatschappij B.V. ingediende bouwplan ‘De Harmonie’ betrekking heeft, buiten de door [verzoeker] genoemde zone en de reikwijdte van de gevraagde schorsing van het plan ligt. Een en ander vormt de uitkomst van een overleg tussen [verzoeker] en het gemeentebestuur.
Bij brief van 8 maart 2018 heeft de raad laten weten dat hij kan instemmen met toewijzing van het door [verzoeker] bij brief van 8 maart 2018 gedane verzoek. De raad heeft ter zitting bevestigd dat bij de bepaling van de voor [verzoeker] geldende geluidsemissienormen fouten zijn gemaakt.
5.    Aldus moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
6.    Ter zitting hebben partijen aangegeven zich te kunnen verenigen met het treffen van de hierna te melden voorlopige voorziening.
Conclusie
7.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
8.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn van 23 november 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost", voor zover het betreft de in de tabellen van artikel 5, lid 5.1, onder d, van de planregels ten behoeve van [verzoeker] Mengvoeders opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau;
II.    treft de voorlopige voorziening dat:
a. aan artikel 5, lid 5.1, onder d, van de regels van het bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost" de volgende zin wordt toegevoegd:
"Het onder a en b bepaalde geldt niet voor [verzoeker], gevestigd op het adres [locaties] te Alphen aan den Rijn.";
b. de volgende regel aan het bestemmingsplan "Omgevingsplan Rijnhaven Oost" wordt toegevoegd:
"Artikel 4, lid 4.1.6
Binnen een afstand van 200 m van de percelen van [verzoeker] Mengvoeders, gevestigd op het adres [locaties] te Alphen aan den Rijn, zijn in uitzondering op artikel 4, lid 4.1.1, geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan. Evenmin zijn binnen die afstand nieuwe geurgevoelige objecten omgevingstype 1 en 2 toegestaan.";
III.    veroordeelt de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [verzoeker A] en [verzoeker B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV.    gelast dat de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Hoekstra    w.g. Lap
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2018
288-817.