ECLI:NL:RVS:2017:998
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens ontbreken urenregistratie en bewijs inkomen
Appellante, een alleenstaande zzp’er met vijf kinderen, maakte in 2013 gebruik van gastouderopvang. De Belastingdienst stelde de kinderopvangtoeslag definitief op nihil vast omdat appellante geen urenregistratie kon overleggen en geen aangifte inkomstenbelasting had ingediend. Tevens was een deel van de toeslag overgemaakt naar een gezamenlijke rekening met de gastouder, waardoor controle op betaling ontbrak.
De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in 2013 inkomen uit arbeid had genoten en dat de kosten niet tijdig waren voldaan. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk aangifte had gedaan en dat zij de kosten had betaald, maar de Raad van State oordeelde dat de door haar overgelegde urenverklaring niet werd ondersteund door objectief bewijs en dat zij onvoldoende was geïnformeerd over de bewijsvereisten.
De Raad van State bevestigde dat het aan appellante was om een deugdelijke administratie van haar gewerkte uren bij te houden en dat het ontbreken daarvan voor haar risico kwam. Ook de verrekening van voorschotten over 2011 kon niet worden beoordeeld vanwege wettelijke uitsluiting van bezwaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de kinderopvangtoeslag op nihil bevestigd.