ECLI:NL:RVS:2017:963

Raad van State

Datum uitspraak
5 april 2017
Publicatiedatum
6 april 2017
Zaaknummer
201606105/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 14 augustus 2015 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 25 februari 2016 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.

Bij besluit van 15 september 2016 wees de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond, waarop de vreemdeling beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was en dat het besluit van 15 september 2016 onvoldoende was gemotiveerd, net als het eerdere besluit.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het besluit van 15 september 2016 gegrond en vernietigde dit besluit. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd het griffierecht vastgesteld.

De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij besluiten over vreemdelingenrechtelijke verblijfsvergunningen en bevestigt dat onvoldoende motivering tot vernietiging kan leiden.

Uitkomst: Het besluit van 15 september 2016 tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

201606105/1/V1.
Datum uitspraak: 5 april 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 juli 2016 in zaak nr. 16/4573 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 februari 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Bij besluit van 15 september 2016 heeft de staatssecretaris opnieuw het door de vreemdeling tegen het besluit van 14 augustus 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.A.P. Avontuur, advocaat te Oosterhout, beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.    Het besluit van 15 september 2016 moet, nu de staatssecretaris daarbij de aanvraag van de vreemdeling opnieuw heeft afgewezen, krachtens artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, bij de beoordeling worden betrokken.
4.    Aan het besluit van 15 september 2016 heeft de staatssecretaris geen andere motivering ten grondslag gelegd dan hetgeen hij heeft aangevoerd in zijn hogerberoepschrift. Nu het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond is, heeft de vreemdeling in haar onderbouwing van het beroep terecht betoogd dat het besluit nog altijd, evenals het besluit van 25 februari 2016, onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep tegen het besluit van 15 september 2016 is dan ook kennelijk gegrond.
5.    Het beroep is kennelijk gegrond. Het besluit van 15 september 2016 dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking.
6.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 september 2016, V-nr. […], gegrond;
III.    vernietigt dat besluit;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Russcher, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Russcher
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2017
760.