ECLI:NL:RVS:2017:963
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 14 augustus 2015 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 25 februari 2016 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
Bij besluit van 15 september 2016 wees de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond, waarop de vreemdeling beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond was en dat het besluit van 15 september 2016 onvoldoende was gemotiveerd, net als het eerdere besluit.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het besluit van 15 september 2016 gegrond en vernietigde dit besluit. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd het griffierecht vastgesteld.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij besluiten over vreemdelingenrechtelijke verblijfsvergunningen en bevestigt dat onvoldoende motivering tot vernietiging kan leiden.
Uitkomst: Het besluit van 15 september 2016 tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.