ECLI:NL:RVS:2017:892
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt vergoeding wegens te late opheffing vrijheidsontnemende maatregel
De vreemdeling kreeg bij besluit van 27 december 2016 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris de vrijheidsontnemende maatregel tijdig had opgeheven nadat was gebleken dat de asielaanvraag van de vreemdeling niet verder in de grensprocedure kon worden behandeld. De staatssecretaris hief de maatregel pas op 11 januari 2017 op, terwijl volgens de Vreemdelingencirculaire en de Werkinstructie SUA de vreemdeling uiterlijk op 9 januari 2017 bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers had moeten worden aangemeld.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte niet eerder had gehandeld en dat de rechtbank dit onredelijk had geacht. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing meer gegeven. De vreemdeling kreeg een vergoeding van € 80,00 voor de periode van 10 tot 11 januari 2017 en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.485,00.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel werd te laat opgeheven, het hoger beroep werd gegrond verklaard en een vergoeding toegekend.