ECLI:NL:RVS:2017:856
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergunning omzetting woning in onzelfstandige woonruimten en wijziging geldigheidsduur
Het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein verleende op 2 juli 2014 een vergunning aan belanghebbende voor het omzetten van een woning in vijf onzelfstandige woonruimten met een geldigheidsduur van vijf jaar. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, omdat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar leefbaarheid en de feitelijke overschrijding van de 10%-norm voor kamerverhuur niet had betrokken.
Het college nam vervolgens een nieuw besluit waarbij de geldigheidsduur van de vergunning werd beperkt tot 2 jaar en 6 maanden, gebaseerd op nieuw onderzoek dat overlast door arbeidsmigranten veroorzaakte. Zowel appellanten als belanghebbende stelden beroep in tegen dit besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het hoger beroep en de beroepen.
Appellanten trokken hun proceskostenveroordeling in en hadden geen rechtens te beschermen belang bij de inhoudelijke behandeling van hun hoger beroep en beroep, omdat het ging om een handhavingsprocedure die niet aan de orde was in deze zaak. Het hoger beroep en beroep van appellanten werden daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende voerde aan dat het college niet bevoegd was de geldigheidsduur te beperken en dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel had gehandeld door niet tegen een andere woning op te treden. Deze bezwaren werden verworpen omdat het college een integrale heroverweging had gedaan en zich mocht baseren op gegevens waaruit bleek dat de andere woning als zelfstandige woonruimte werd gebruikt. Ook het betoog dat het college onzorgvuldig onderzoek had verricht naar overlast werd verworpen, omdat het college zich baseerde op recente en relevante meldingen van buurtbewoners.
De Afdeling verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep en beroep van appellanten zijn niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard.