ECLI:NL:RVS:2017:720
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling met identiteitsfraude
De vreemdeling, met Nepalese nationaliteit en moeder van twee kinderen met verblijfsvergunning, kreeg haar asielvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste identiteit. De staatssecretaris weigerde haar een reguliere verblijfsvergunning toe te kennen en legde een inreisverbod op.
De rechtbank had het besluit vernietigd, stellende dat de belangen van de kinderen onvoldoende waren betrokken bij de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris en de vreemdeling stelden hoger beroep in. De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris terecht zwaarwegend belang hecht aan de identiteitsfraude en dat het onduidelijk is hoe lang de vreemdeling in Nederland verbleef en wat haar land van herkomst is, waardoor een volledige belangenafweging niet mogelijk is.
De Raad stelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro rechtmatig in het nadeel van de vreemdeling uitvalt, mede omdat zij haar identiteit niet heeft aangetoond. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, waaronder haar gezinsleven en verblijfsduur, kunnen dit niet compenseren. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, dat van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod worden gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.