ECLI:NL:RVS:2017:63

Raad van State

Datum uitspraak
13 januari 2017
Publicatiedatum
13 januari 2017
Zaaknummer
201608206/1/A1 en 201608206/2/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 1.1.1 BroArt. 3.1.6 Bro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning voor zes appartementen ondanks bezwaar over ruimtelijke ordening en parkeernormen

Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal verleende op 14 juli 2016 een omgevingsvergunning voor de bouw van zes appartementen op een perceel aan de Boulevard 83 te Roosendaal. Appellanten, buren van het perceel, maakten bezwaar tegen het bouwplan vanwege de afwijking van het bestemmingsplan, de impact op het straatbeeld, schaduwwerking, privacy en parkeeroverlast.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek om voorlopige voorziening en het hoger beroep gezamenlijk. De Afdeling oordeelde dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand en dat de afwijkingen van het bestemmingsplan, zoals de grotere diepte en kleinere afstand tot de perceelgrens, gerechtvaardigd zijn. De schaduwwerking en privacybeperkingen zijn beperkt en moeten worden geduld in een stedelijke omgeving.

Verder is de parkeernorm correct toegepast en is voorzien in voldoende parkeerplaatsen, mede door een privaatrechtelijke overeenkomst voor een extra parkeerplaats. De zogenoemde ladder duurzame verstedelijking is niet van toepassing omdat het bouwplan niet voorziet in een woningbouwlocatie of stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan dat van de appellant.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning voor zes appartementen wordt bevestigd.

Uitspraak

201608206/1/A1 en 201608206/2/A1.
Datum uitspraak: 13 januari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Roosendaal (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 oktober 2016 in zaak nrs. 16/6250 en 16/6253 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van zes appartementen op het perceel aan de Boulevard 83 te Roosendaal.
Bij uitspraak van 3 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen en I. Kraus, zijn verschenen. Daar is voorts [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van zes appartementen op het perceel met parkeervoorzieningen en bergingen. Het perceel heeft volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Burgerhout" de bestemming "Wonen". Volgens de planregels mogen ter plaatse onder meer geschakelde woningen worden opgericht met een diepte van 10 m. De afstand tot de zijdelingse perceelgrens aan de niet-aaneengebouwde zijde van het hoofdgebouw dient 3 m te bedragen. Aan deze regels voldoet het bouwplan niet: het heeft een diepte van 12 m en een afstand tot de zijdelingse perceelgrens van 0,9 m. Het bouwplan voldoet tevens niet aan de Bouwverordening van de gemeente Roosendaal met betrekking tot de eis dat op het eigen perceel voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. Het bouwplan voorziet in de realisering van acht parkeerplaatsen, terwijl er volgens het college negen nodig zijn. Het tekort moet de initiatiefnemer volgens het college elders oplossen en dat is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
[appellant] woont op het naastgelegen perceel. Naast het perceel van [appellant] is een uitrit gelegen, waarnaast het bouwplan is voorzien. Het perceel lag braak voordat met de uitvoering van het bouwplan was begonnen. De bezwaren van [appellant] zien niet op het bebouwen van het perceel, maar op de gekozen invulling van het perceel met zes appartementen. Het oprichten van zes appartementen in plaats van geschakelde woningen, leidt volgens [appellant] tot een inbreuk van het straatbeeld en een verstoring van zijn woon- en leefklimaat.
2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte medewerking aan het bouwplan heeft verleend. Daartoe voert hij aan dat aan het besluit van 14 juli 2016 geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd. Bovendien leidt de realisering van het bouwplan tot een verstoring van het straatbeeld, tot schaduwwerking en een inbreuk op de privacy. Ook neemt de overlast met betrekking tot parkeren toe. Tevens is volgens [appellant] de "ladder duurzame verstedelijking" van toepassing op het bouwplan.
3.1. Het bouwplan is voorzien van de ruimtelijke onderbouwing "Boulevard 83-85 Roosendaal" van 1 juni 2015. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat op het perceel voorheen een winkelpand met bovenwoningen stond. Het pand is in 2011 gesloopt waardoor een gat is ontstaan in de bebouwingsstructuur van de Boulevard. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is het perceel gelegen aan de stadsring aan een druk gedeelte van een belangrijke aanrijroute, waardoor de invulling van het perceel bepalend is voor de beeldkwaliteit, de beleving en het aanzien van de stad. Het bouwplan voorziet in de realisering van zes huurappartementen in drie bouwlagen, waarbij de derde bouwlaag van een steile kap wordt voorzien. Hoewel er een hogere en andere kapvorm wordt gebruikt, wordt er volgens de ruimtelijke onderbouwing voldaan aan de beelddifferentiatie per verticaal deel die kenmerkend is voor de Boulevard als geheel. De Boulevard kent volgens de ruimtelijke onderbouwing complexen met repeterende eenheden die subtiel van elkaar verschillen maar wel worden geschaard onder een doorlopende kap. Ook past het karakter van het voorziene gebouw in de traditie van de straat. Hoewel er sprake is van niet-grondgebonden woningbouw, voegt het voorziene gebouw zich volgens de ruimtelijke onderbouwing in het straatbeeld doordat in de architectonische vormgeving is aangesloten op de stedenbouwkundige structuur van de Boulevard. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Aan de achterzijde van het perceel, achter de parkeerplaatsen, zijn bergingen voorzien ten behoeve van de appartementen. Wat betreft de schaduwwerking is in de ruimtelijke onderbouwing uiteengezet dat het - ten opzichte wat volgens het bestemmingsplan is toegestaan - vergrote bouwvolume nauwelijks leidt tot een toename van schaduwwerking. Volgens de ruimtelijke onderbouwing past het volume in het afwisselende straatbeeld. Schaduw valt vooral op de inrit naar de achtergelegen bergingen. Op het perceel worden acht parkeerplaatsen gerealiseerd. Op het tegenover gelegen complex Boulevard 98-100 wordt een parkeerplaats gerealiseerd ten behoeve van het bouwplan. Door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst wordt de beschikbaarheid van deze parkeerplaats gewaarborgd.
In de ruimtelijke onderbouwing is verder vermeld dat de vraag naar kleinschalige en betaalbare huurwoningen groot is en dat het bouwplan een sterke impuls vormt voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
3.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan past in het gevelzicht en het straatbeeld van de Boulevard. Het heeft daarbij het positieve welstandsadvies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van 8 januari 2015, dat het heeft overgenomen, betrokken. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bouwplan niet in het straatbeeld past.
Ten behoeve van het bouwplan is een bezonningsstudie uitgevoerd. De bezonningsstudie van 30 november 2015 ondersteunt de conclusie in de ruimtelijke onderbouwing dat realisering van het bouwplan tot een beperkte toename van schaduwwerking zorgt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de afname van bezonning op het perceel van [appellant] niet zodanig is dat dit redelijkerwijs in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het bouwplan niet de huidige of vroegere situatie maatgevend is. Bepalend is de vergelijking tussen het bouwplan en hetgeen volgens het bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beoogde bouwmassa in dit geval in relatief geringe mate groter is dan hetgeen volgens het bestemmingsplan ter plaatse is toegestaan.
Het bouwplan is aan de achterzijde voorzien van balkons, waardoor onder meer zicht in de tuin van [appellant] kan ontstaan. Met betrekking tot het betoog over de privacy heeft de rechtbank terecht het standpunt van het college gevolgd dat realisering van het bouwplan tot enige aantasting van de privacy van [appellant] leidt, maar dat dit moet worden geduld. Gelet op de locatie van het perceel in stedelijk gebied acht de voorzieningenrechter dat standpunt redelijk.
Het college heeft de aanvraag getoetst aan de Nota Parkeernormen van december 2011. Het college heeft daarbij voor het bouwplan een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per appartement gehanteerd. Dit betreft de norm voor huurwoningen in de sociale sector buiten de centrumring. De norm voor huurwoningen binnen de centrumring is lager en zou tot een afname van het aantal te realiseren parkeerplaatsen leiden. Indien het bouwplan zou voorzien in huurwoningen voor de vrije sector zou de parkeernorm 1,8 parkeerplaats per appartement bedragen, maar daarin voorziet het bouwplan niet. Ter zitting van de voorzieningenrechter is dat toegelicht. Het college heeft verder gesteld dat de voorziene parkeerplaatsen voldoen aan de in de Bouwverordening opgenomen minimale afmetingen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het bouwplan voorziet in de parkeerbehoefte die van het bouwplan uitgaat. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de parkeerplaatsen niet beschikbaar zijn of te krap zijn. Voor zover [appellant] overlast zal ondervinden door het parkeren van auto’s aan de achterzijde van het perceel, heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de kwaliteit van de leefomgeving onvoldoende is gewaarborgd. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat sprake is van binnenstedelijk gebied.
3.3. Het perceel met de bestemming "Wonen" heeft een omvang van ongeveer 350 m², waarop zes appartementen zijn voorzien. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921, gelet op het aantal woningen terecht overwogen dat het bouwplan niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). De zogenoemde "ladder duurzame verstedelijking" als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing. Voor zover [appellant] in dit verband betoogt dat er onvoldoende behoefte is aan het bouwplan en derhalve de uitvoerbaarheid niet is gewaarborgd, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Het college heeft onder verwijzing naar de "Woningbouwprogrammering 2012-2020" gesteld dat in Roosendaal veel vraag is naar huurwoningen. Voorts heeft het gesteld dat de eventuele toekenning van planschade wordt doorberekend aan de ontwikkelaar, waardoor de uitvoerbaarheid gewaarborgd is. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet uitvoerbaar is.
3.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht overwogen dat het betoog van [appellant] niet tot het oordeel leidt dat de bouw van zes appartementen met parkeervoorzieningen en bergingen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college, bij de afweging van alle betrokken belangen, in aanmerking nemend de mogelijkheden van het bestemmingsplan, in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de aanvrager bij de uitvoering van het bouwplan zoals aangevraagd, dan aan het belang van [appellant].
Het betoog faalt.
Conclusie en slot
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Smulders-Wijgerde
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2017
672.