ECLI:NL:RVS:2017:597
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting werkgeverschap
De minister legde appellante een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door twee vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen. Appellante betwistte dat zij als werkgever kon worden aangemerkt en voerde aan dat de werkzaamheden door derden waren verricht en dat de onderneming slapend was.
De rechtbank oordeelde dat appellante terecht als werkgever was aangemerkt, mede op basis van verklaringen, een schriftelijke overeenkomst en inschrijving in het handelsregister. De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het betoog af dat de minister onvoldoende onderzoek deed naar de feitelijke situatie.
Verder werd de boete conform de beleidsregel met 50% gematigd, wat door appellante werd betwist. De Raad van State oordeelt dat de matiging rechtmatig is toegepast en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij alles redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 aan appellante wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.