AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhavingsbesluit gebruik gronden in strijd met bestemmingsplan
Excluton B.V. verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Druten, waarin handhavend werd opgetreden tegen het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Het college had Excluton onder dwangsom gelast een ingericht tasveld en een uitbreiding van het bedrijfsterrein te verwijderen voor 31 maart 2017.
Excluton voerde aan dat de termijn te kort was vanwege de productiecyclus en dat zij zich inspande voor legalisatie van de tasvelden. De voorzieningenrechter overwoog dat het gebruik van de gronden onrechtmatig was en dat het bestuursorgaan in beginsel moet handhaven, tenzij er concrete zicht is op legalisatie of handhaving onevenredig is. Omdat ten tijde van het besluit geen concreet zicht op legalisatie bestond en eerdere uitspraken handhaving niet onevenredig achtten, werd het verzoek afgewezen.
De voorzieningenrechter stelde dat de begunstigingstermijn bedoeld is om uitvoering van de last zonder dwangsom mogelijk te maken, en dat Excluton niet had gesteld dat zij niet voor 31 maart 2017 kon voldoen. Ook werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. Het verzoek om voorlopige voorziening werd derhalve afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het handhavingsbesluit wordt afgewezen.
Uitspraak
201700001/2/A1.
Datum uitspraak: 17 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
Excluton B.V., gevestigd te Druten,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Druten,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2014 heeft het college, voor zover hier van belang, het verzoek van [partij A] en [partij B] om handhavend op te treden tegen het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van gronden door Excluton, afgewezen.
Bij besluit van 22 november 2016 heeft het college opnieuw op het door [partij A] en [partij B] hiertegen gemaakte bezwaar beslist en, voor zover hier van belang, Excluton onder oplegging van dwangsommen gelast een ingericht tasveld en een uitbreiding van het bedrijfsterrein voor 31 maart 2017 te verwijderen en verwijderd te houden.
Tegen dit besluit heeft onder meer Excluton beroep ingesteld. Excluton heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 februari 2017, waar Excluton, vertegenwoordigd door mr. H.C.J. Oomen, advocaat te Nijmegen, vergezeld door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door E.D.T. van Zanten. Voorts zijn ter zitting verschenen [partij C], bijgestaan door mr. A.J. Glastra, en [partij A], bijgestaan door [persoon].
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Excluton is een productie- en handelsonderneming van diverse bouwproducten, die op haar percelen stenen, betonproducten en andere materialen opslaat.
3. Met het bestreden besluit van 22 november 2016 heeft het college beoogd een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1716. Bij die uitspraak heeft de Afdeling de besluiten van het college van 9 september 2015 en 8 oktober 2015, die tezamen worden beschouwd als een besluit op bezwaar, vernietigd voor zover het college daarbij niet volledig heeft besloten op het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de gronden door Excluton en [bedrijf], gevestigd te Druten.
4. Excluton verzoekt om schorsing van het besluit van 22 november 2016, dan wel om een voorziening die strekt tot verlenging van de begunstigingstermijn van 31 maart 2017 tot 31 juli 2017. Zij voert aan dat zij een zwaarwegend belang heeft om de in geding zijnde tasvelden te kunnen blijven gebruiken. Deze tasvelden zijn vooral nodig in de periode februari tot en met juli, waarin wordt geproduceerd voor het nieuwe tuinseizoen en waarin ruim 70% van de jaaromzet wordt gerealiseerd. De door het college gegeven termijn tot 31 maart 2017 vindt zij daarom te kort. Voorts wijst zij erop dat zij zich inzet voor legalisering van de tasvelden die nog geen bedrijfsbestemming hebben. Zij heeft daartoe bij het college en Rijkswaterstaat vergunningen aangevraagd. De belangen van [partij A] en [partij B] bij handhaving zijn volgens Excluton gering in verhouding tot haar bedrijfsbelangen, nu zij geen overlast ervaren van activiteiten op het bedrijventerrein zelf en het elders opslaan van de producten niet zal leiden tot minder vrachtwagenbewegingen.
4.1. Niet in geschil is dat het gebruik van de betrokken gronden in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
4.2. Ten tijde van het bestreden besluit bestond geen concreet zicht op legalisatie, reeds omdat de vergunningaanvragen op dat moment nog niet waren ingediend. Voorts is in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016, onder 4.1, overwogen dat handhaving in dit geval niet onevenredig is. Daarbij zijn de belangen van omwonenden, de financiële belangen van Excluton en de verkeersintensiteit op de ontsluitingsweg in aanmerking genomen. Hetgeen Excluton ter motivering van haar verzoek om een voorlopige voorziening aanvoert, geeft geen aanleiding om daarover thans anders te oordelen. Voor het oordeel dat het college in dit geval van handhaving had behoren af te zien, ziet de voorzieningenrechter daarom geen grond.
4.3. Zoals eveneens in de uitspraak van 22 juni 2016 is overwogen, dient een begunstigingstermijn ertoe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Excluton heeft niet gesteld dat zij de lasten niet voor 31 maart 2017 kan uitvoeren. Haar betoog komt erop neer dat tijdige uitvoering van de lasten haar bedrijfsbelangen zal schaden. Hierin kan echter geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de in het bestreden besluit opgenomen begunstigingstermijn te kort is.
5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten van het college ten behoeve van een van de partijen bestaat geen aanleiding. Voor een veroordeling in proceskosten van Excluton ten behoeve van [partij A] en [partij B], die daarom hebben verzocht, bestaat evenmin aanleiding. Excluton heeft door het voeren van deze procedure geen onredelijk gebruik van het procesrecht gemaakt.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.