ECLI:NL:RVS:2017:427
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen en matiging boete
De minister legde aan appellante een boete van €12.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank matigde deze boete tot €8.000. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de boete conform de Beleidsregel 2016 berekend moest worden, wat resulteert in een boete van €6.000. De Afdeling stelde vast dat de minister de toezegging aan de Tweede Kamer over de invoering van een waarschuwingsbevoegdheid had nagekomen en dat de minister niet verplicht was een waarschuwing te geven omdat de vreemdelingen illegaal verbleven.
Verder oordeelde de Raad dat de minister niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel had gehandeld door niet aan alle werkgevers een boete op te leggen, omdat in sommige gevallen onvoldoende bewijs was. Ook werd geoordeeld dat het bewijs rechtmatig was verkregen met toestemming van de Officier van Justitie. Appellante werd terecht als werkgever aangemerkt voor beide vreemdelingen en de boete voor twee overtredingen was terecht.
Ten slotte werd vastgesteld dat appellante verwijtbaar heeft gehandeld door niet te controleren op vergunningen en dat de boete proportioneel is. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de boete vastgesteld op €6.000 en de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €6.000 en het hoger beroep van appellante wordt gegrond verklaard.