ECLI:NL:RVS:2017:426
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De zaak betreft het hoger beroep van [appellante] tegen een door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgelegde boete van €12.000 wegens het laten verrichten van huishoudelijke werkzaamheden door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank had de boete reeds gematigd tot €8.000.
De Raad van State overweegt dat de minister het boetenormbedrag op grond van een beleidsregel heeft aangepast naar €2.000 voor natuurlijke personen die huishoudelijke diensten laten verrichten, met een verhoging van 50% vanwege illegaal verblijf van de vreemdelingen, wat leidt tot een boete van €6.000. De minister stemt in met matiging tot €6.000. De Raad matigt de boete verder tot €4.500 vanwege het sporadisch meewerken van de echtgenote van de vreemdeling.
Verder oordeelt de Raad dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en dat het bewijs rechtmatig is verkregen. De overtreding wordt volledig aan [appellante] toegerekend, ondanks haar betoog dat zij niet opzettelijk handelde. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de boete werd vastgesteld op €8.000 en de boete wordt door de Raad vastgesteld op €4.500. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan [appellante] vergoed.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €4.500 na gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank.