ECLI:NL:RVS:2017:395
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering omgevingsvergunning voor woonark met afwijkende bouwhoogte
Appellante vroeg een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een woonark met een hoogte van 3,8 meter, terwijl het bestemmingsplan een maximale hoogte van 3,0 meter toestaat, met een binnenplanse vrijstelling tot 3,45 meter. Het college verleende aanvankelijk van rechtswege een vergunning voor een woonark van 3,448 meter, maar weigerde later de vergunning voor de hogere woonark vanwege strijd met het bestemmingsplan en bezwaren van omwonenden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij een nieuwe aanvraag had ingediend voor een woonark van 3,448 meter, waardoor zij geen belang meer zou hebben bij de eerdere aanvraag. De Raad van State oordeelde echter dat appellante wel degelijk belang hield bij de eerdere aanvraag en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde vervolgens de beroepsgronden inhoudelijk en verwierp het beroep van appellante. Het college mocht het besluit weigeren vanwege het bestemmingsplan en de bescherming van de belevingswaarde van de Ringvaart. Ook faalden de bezwaren over de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften van omwonenden.
De Raad van State veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante en gelastte terugbetaling van het griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het beroep van appellante ongegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.