ECLI:NL:RVS:2017:3625
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 6 april 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 25 juli 2017 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State beoordeelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt volgens de Vreemdelingenwet 2000 één week na de bekendmaking van de uitspraak. De uitspraak van de rechtbank werd op 25 juli 2017 digitaal verzonden. Het beroepschrift werd echter pas op 23 augustus 2017 per fax en op 24 augustus per brief ontvangen, wat betekent dat het te laat was ingediend.
De vreemdeling voerde aan dat de gemachtigde en diens waarnemer ziek waren, maar de Raad oordeelde dat dit geen geldige reden is voor het verzuim, aangezien het op de gemachtigde rust om maatregelen te treffen om de voortgang van zaken te waarborgen. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.