ECLI:NL:RVS:2017:3388
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 26 juli 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 2 november 2017 het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat een wijziging van de categorie van de bewaring geen nieuwe maatregel betreft, maar het voortduren van de reeds opgelegde bewaring. Het beroep van de vreemdeling is dan ook gericht tegen het voortduren van de bewaring in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De uitspraak van de rechtbank is een uitspraak als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van die wet.
De Afdeling stelt vast dat tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Daarom verklaart zij zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een lid van de enkelvoudige kamer en de griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2017.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring.