AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak rechtbank over handhaving zonder vergunning houten pand met overkapping
Het college van burgemeester en wethouders van Bladel heeft bij brief van 18 mei 2016 aan appellante een last onder dwangsom opgelegd om een zonder vergunning gebouwd houten pand met overkapping te verwijderen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 15 december 2016 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond op 4 oktober 2017.
Appellante stelde in hoger beroep dat het besluit van het college geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zou zijn, omdat een derde persoon geen belanghebbende zou zijn en dat de rechtbank ten onrechte deze persoon als partij had toegelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college bevoegd was handhavend op te treden op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en dat het besluit van 18 mei 2016 wel degelijk een besluit in de zin van de Awb is.
Verder oordeelde de Afdeling dat de deelname van de derde partij aan het geding niet van doorslaggevende betekenis was voor de uitspraak en dat de rechtbank het besluit ambtshalve moest toetsen. Ook werd overwogen dat het vermeende mandaatgebrek in het besluit van 6 december 2016 was hersteld. De overige gronden van appellante waren ingetrokken en konden niet opnieuw worden aangevoerd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201708204/1/A1 en 201708204/2/A1.
Datum uitspraak: 6 december 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 oktober 2017 in zaak nr. 17/337 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bladel.
Procesverloop
Bij brief van 18 mei 2016 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast, voor zover thans van belang, het op het perceel [locatie] te Bladel gerealiseerde houten pand met overkapping te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 15 december 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 november 2017, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door S. Torres, zijn verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [persoon] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 vanPro de Awb. Zijn verzoek om handhaving kan derhalve geen aanvraag zijn in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De brief van het college van 18 mei 2016 is om die reden geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aldus [appellante].
2.1. [persoon] heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen een schuur op het perceel. Een toezichthouder van de gemeente heeft naar aanleiding van dat verzoek een controle uitgevoerd op het perceel. Tijdens die controle is vastgesteld dat op het perceel een houten pand met overkapping is gebouwd zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Het college heeft vervolgens op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) handhavend opgetreden tegen de zonder daarvoor benodigde vergunning gebouwde schuur.
2.2. In artikel 5:4, tweede lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan bevoegd is een bestuurlijke sanctie op te leggen wegens overtreding van bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen. Een dergelijk besluit kan op verzoek maar ook ambtshalve door het bevoegd gezag worden genomen.
In dit geval heeft het college geconstateerd dat [appellante] heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo en heeft het, in aanmerking nemend het geldende handhavingsbeleid, daartegen handhavend opgetreden. De brief van 18 mei 2016 kan reeds daarom worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De omstandigheid dat [persoon], naar [appellante] stelt, niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, doet daar, wat daar van zij, niet aan af.
Het betoog faalt.
3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank [persoon] ten onrechte op grond van artikel 8:26 vanPro de Awb als partij aan het geding heeft laten deelnemen.
3.1. Daargelaten of [persoon] belanghebbende is en of de rechtbank hem terecht heeft aangemerkt als partij in de zin van artikel 8:26 vanPro de Awb, is, gelet op hetgeen blijkens de stukken door [persoon] in het geding in beroep is ingebracht en op hetgeen door de rechtbank is overwogen, de inbreng van [persoon] niet van doorslaggevende betekenis geweest voor het oordeel van de rechtbank. De vraag of de brief van 18 mei 2016 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is immers van openbare orde en dient door de rechtbank ambtshalve te worden getoetst. De deelname van [persoon] aan dat geding vormt daarom onvoldoende grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Het betoog faalt.
4. Wat betreft het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de besluiten van 18 mei 2016 en 6 december 2016 onbevoegd zijn genomen, overweegt de Afdeling dat daarvan niet is gebleken. Uit het besluit van 10 januari 2017 blijkt wel dat de afdeling VTH de Kempen, die het besluit van 6 december 2016 heeft ondertekend, daartoe niet was gemandateerd. Dit gebrek is in het besluit van 10 januari 2017 evenwel hersteld. Het betoog van [appellante] kan dan ook niet leiden tot het ermee beoogde doel.
5. Wat betreft de overige door [appellante] aangevoerde gronden geldt dat zij deze gronden, naar ook niet in geschil is, in beroep uitdrukkelijk heeft ingetrokken. Deze gronden kunnen niet opnieuw in hoger beroep worden aangevoerd.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.