ECLI:NL:RVS:2017:3349
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering huurtoeslag 2011 wegens te hoog toetsingsinkomen door inkomen medebewoner
Appellante ontving in 2011 huurtoeslag, die door de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 24 april 2015 werd herzien en vastgesteld op nihil vanwege een te hoog gezamenlijk toetsingsinkomen, waarbij het inkomen van haar zoon als medebewoner werd betrokken. Appellante betwistte dit omdat haar zoon pas in 2014 een CIZ-indicatie kreeg vanwege schizofrenie en psychoses, en meende dat zijn inkomen daarom buiten beschouwing moest blijven voor 2011.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht het inkomen van de zoon had meegenomen, omdat voor 2011 geen indicatie van verzorgingsbehoefte bestond. Appellante stelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderzocht of de dienst in strijd had gehandeld met het zorgvuldigheids-, motiverings-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. Uit de wettelijke bepalingen volgt dat het inkomen van medebewoners moet worden meegerekend tenzij sprake is van een verzorgingsbehoefte die blijkt uit een CIZ-indicatie. Omdat de zoon pas in 2014 een dergelijke indicatie kreeg, was het inkomen in 2011 terecht meegenomen. De afwijking in 2012 was een vergissing van de dienst en vormt geen grond voor schending van de genoemde beginselen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van huurtoeslag over 2011 bevestigd.