ECLI:NL:RVS:2017:3317
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderopvangtoeslag wegens verblijf toeslagpartner buiten Nederland
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland inzake de definitieve vaststelling van kinderopvangtoeslag over 2014 en de terugvordering van teveel ontvangen voorschotten.
Appellant had kinderopvangtoeslag aangevraagd voor de opvang van zijn kind. De toeslagpartner van appellant verbleef echter van september 2014 tot februari 2015 in Ghana en had geen inkomsten uit arbeid in Nederland. De Belastingdienst stelde daarom vast dat appellant over de periode van 1 oktober tot en met 31 december 2014 geen recht had op kinderopvangtoeslag en vorderde de teveel ontvangen voorschotten terug.
De rechtbank oordeelde dat artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) geen ruimte biedt om de terugvordering buiten toepassing te laten, en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de wet niet van toepassing was omdat zijn partner geen geldige verblijfsvergunning had en niet in Nederland kon werken, maar de Raad van State verwierp dit en bevestigde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor uitsluiting van toeslagpartners die niet in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland wonen.
Daarnaast stelde appellant dat hij en zijn partner niet in staat zijn de terugvordering te betalen, maar de Raad van State wees erop dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) geen ruimte biedt om van terugvordering af te zien, hoewel een betalingsregeling mogelijk is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van teveel ontvangen kinderopvangtoeslag bevestigd.