ECLI:NL:RVS:2017:3263

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2017
Publicatiedatum
29 november 2017
Zaaknummer
201601432/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbWet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van bevoegdheid bij informatieverzoek AIVD

Appellant verzocht de minister om afschrift van driemaandelijkse rapportages van de AIVD over de jaren 2000 tot en met 2002. De minister wees dit verzoek gedeeltelijk af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar hield de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de zitting stelde de minister dat appellant misbruik maakt van zijn bevoegdheid om verzoeken op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) in te dienen, omdat appellant zeer veel informatie opvraagt en de AIVD daardoor niet meer inhoudelijk op verzoeken ingaat. De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd geoordeeld dat appellant de bevoegdheid voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze is verleend en dat er sprake is van onevenredigheid tussen het belang van appellant en de belasting voor de minister.

Gezien de gelijkenis van het huidige verzoek met eerdere verzoeken oordeelt de Afdeling dat ook in deze zaak sprake is van misbruik van bevoegdheid. Hierdoor wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van bevoegdheid bij het indienen van het informatieverzoek.

Uitspraak

201601432/1/A3.
Datum uitspraak: 29 november 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2016 in zaak nr. 15/5350 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om afschrift van de driemaandelijkse rapportages waarin de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) rapporteert over de activiteiten en resultaten van de dienst over de jaren 2000 tot en met 2002, dan wel over de eerste drie jaren waarin deze zijn opgesteld, gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 12 juni 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 juni 2015 vernietigd maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verleend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2017, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. van den Berg, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister betoogd dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van de wettelijke bevoegdheid een verzoek op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: Wiv) in te dienen en hoger beroep in te stellen. De minister heeft toegelicht dat [appellant] heel veel informatie opvraagt bij de AIVD. De AIVD behandelt de verzoeken van [appellant] niet meer inhoudelijk sinds de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] misbruik maakt van (proces)recht, aldus de minister.
1.1.    In de uitspraak van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2478, heeft de Afdeling geoordeeld dat [appellant] de bevoegdheid om informatieverzoeken in te dienen voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Voorts is sprake van onevenredigheid tussen het met die verzoeken gediende belang en de belasting die het beslissen hierop oplevert voor de minister. Dit brengt mee dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de Wiv in te dienen, aldus de Afdeling in die uitspraak.
Aangezien het in deze zaak ingediende verzoek een vergelijkbare strekking heeft als de in voormelde uitspraak genoemde verzoeken, is de Afdeling in deze zaak eveneens van oordeel dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om een Wiv-verzoek in te dienen. Nu het hoger beroep niet los kan worden gezien van de wijze waarop [appellant] de Wiv heeft gebruikt, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.
w.g. Lubberdink    w.g. Niane-van de Put
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017
805.