ECLI:NL:RVS:2017:3184
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening betalingsregeling boete Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde verzoekster op 23 maart 2016 een boete van €472.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank de boete vast op €354.000,- en bepaalde dat de minister een nieuwe betalingsregeling moest treffen. De minister bood op 17 juli 2017 een betalingsregeling aan waarbij verzoekster de boete in 48 termijnen moest voldoen.
Verzoekster stelde dat zij de boete niet kan betalen en dat betaling tot faillissement zou leiden. Zij verzocht de voorzieningenrechter om opschorting van de betalingsregeling totdat op het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende inzicht had gegeven in haar financiële situatie, ondanks overgelegde jaarstukken en accountantsverklaringen.
Ook kon verzoekster onduidelijkheden over debiteuren, crediteuren en vorderingen niet wegnemen. De voorzieningenrechter nam mee dat er een economische verwevenheid bestaat tussen verzoekster en een bedrijf in de keten, maar dat dit niet overtuigend maakte dat zij door de betalingsregeling in financiële nood zou komen.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 22 november 2017 door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos.
Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de betalingsregeling voor de boete wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie van verzoekster.