ECLI:NL:RVS:2017:2901
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na matiging en toetsing evenredigheid
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [wederpartij], een culturele en charitatieve instelling, een boete op wegens het laten verrichten van arbeid door elf vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen. De boete werd aanvankelijk vastgesteld op €94.500,00 en later gematigd tot €60.000,00. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en stelde de boete vast op €25.500,00, mede op grond van het oordeel dat sprake was van arbeid in de niet-zakelijke sfeer, waardoor een lager boetenormbedrag van toepassing zou zijn.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het lagere boetenormbedrag toepaste, omdat de werkzaamheden bedrijfsmatig van aard waren en gericht op het verwerven van inkomsten, ondanks het liefdadigheidskarakter van [wederpartij]. Daarnaast verwierp de Afdeling het argument van de rechtbank dat voor drie vreemdelingen een extra matiging van 50% gerechtvaardigd was.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover de boete werd vastgesteld op €25.500,00 en stelde zelf de boete vast op €44.000,00, waarbij een matiging van 75% werd toegepast voor zeven vreemdelingen en 25% voor de overige vijf. De uitspraak van de Raad treedt in de plaats van het vernietigde besluit van 25 januari 2016. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De boete aan [wederpartij] wordt vastgesteld op €44.000,00 en het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd voor zover het de boete vaststelde op €25.500,00.