ECLI:NL:RVS:2017:285
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kennelijke ongegrondheid asielaanvraag wegens late melding internationale bescherming
De vreemdeling diende in augustus 2016 een asielaanvraag in, waarbij hij stelde dat hij Nigeria had verlaten vanwege problemen na een aangifte tegen zijn oom en vanwege zijn seksuele gerichtheid. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling niet direct na binnenkomst in Nederland in 2005 internationale bescherming had gevraagd.
De rechtbank had de beroepen van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag niet als kennelijk ongegrond kon afwijzen.
De Afdeling stelde dat de vreemdeling al in 2005 problemen had die aanleiding gaven tot bescherming, maar pas in 2016 asiel had aangevraagd, wat niet tijdig was. Ook het bezwaar tegen het inreisverbod en het onthouden van een vertrektermijn faalde, mede omdat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij de biologische vader was van een minderjarig kind dat afhankelijk van hem zou zijn.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdeling ongegrond wegens niet-tijdige asielaanvraag.