ECLI:NL:RVS:2017:2736
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J. Hoekstra
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van redelijkheid van paspoortleges voor aanvragen in het buitenland
Bij besluiten van 22 maart 2016 verstrekte de minister Nederlandse paspoorten aan appellant en anderen en heefde daarvoor rechten (leges). Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van deze leges, dat door de minister en vervolgens door de rechtbank Den Haag ongegrond werd verklaard. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de Afdeling bestuursrechtspraak bevoegd is voor dit hoger beroep, omdat het hier niet gaat om belastingen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, maar om rechten geheven door de minister. Vervolgens beoordeelt de Afdeling de motivering van de hoogte van de leges. Uit diverse onderzoeken en rapporten blijkt dat de tarieven kostendekkend zijn, mede vanwege hogere kosten van consulaire posten in het buitenland ten opzichte van gemeenten binnen Nederland. De Raad wijst erop dat de tarieven zijn gebaseerd op recente kostenonderzoeken en dat de verlenging van de geldigheidsduur van paspoorten en centralisering van processen zijn meegenomen.
Ook het betoog dat de leges het recht om het land te verlaten zouden belemmeren, wordt verworpen. De Afdeling stelt dat er geen onderbouwing is voor dit standpunt en dat er mogelijkheden tot kwijtschelding zijn. Ten slotte oordeelt de Raad dat de minister niet verplicht was appellant te horen in de bezwaarprocedure, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.