ECLI:NL:RVS:2017:2714

Raad van State

Datum uitspraak
6 oktober 2017
Publicatiedatum
9 oktober 2017
Zaaknummer
201701591/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vrijwillig vertrek vreemdelingen naar land van herkomst

Bij verschillende besluiten van 25 juli 2016 heeft de staatssecretaris de aanvragen van vier vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen stelden hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 februari 2017 deze beroepen ongegrond verklaarde.

De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure overlegde de staatssecretaris berichten waaruit bleek dat de vreemdelingen op 9 juni 2017 vrijwillig vanuit Nederland naar hun land van herkomst Israël zijn vertrokken.

De Raad van State overweegt dat door het vrijwillige vertrek de vreemdelingen kennelijk geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun hoger beroep. Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang door vrijwillig vertrek naar Israël.

Uitspraak

201701591/1/V2.
Datum uitspraak: 6 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling 1], [de vreemdeling 2], [de vreemdeling 3], en [de vreemdeling 4],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2017 in zaken nrs. 16/16849, 16/16851 en 16/16842 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 25 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 februari 2017 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Erik, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2.    Uit de door de staatssecretaris bij nader stuk overgelegde berichten van vertrek blijkt dat de vreemdelingen op 9 juni 2017 vrijwillig vanuit Nederland zijn vertrokken naar hun land van herkomst, Israël. Nu de vreemdelingen vrijwillig zijn vertrokken, stellen zij kennelijk geen prijs meer op de door hun aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. Onder deze omstandigheden hebben de vreemdelingen geen belang bij beoordeling van het door hen ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 februari 2017.
3.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Prins
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2017
314-844.