ECLI:NL:RVS:2017:2680
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verstrekking persoonsgegevens op grond van artikel 43 Wbp wegens belastingbelangen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep ongegrond verklaarde tegen de weigering van de staatssecretaris om op grond van artikel 35, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) informatie te verstrekken.
Appellant had verzocht om opgaaf van persoonsgegevens die verwerkt worden binnen samenwerkingsverbanden zoals het RIEC en de Belastingdienst, met betrekking tot hem en zijn vennootschappen. De staatssecretaris wees het verzoek aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond en gaf aan dat persoonsgegevens voorkomen in notulen, een intern journaal en correspondentie met buitenlandse belastingdiensten. Deze informatie werd geweigerd op grond van artikel 43 Wbp Pro, omdat verstrekking schadelijk zou zijn voor de heffing en invordering van belastingen.
De rechtbank bevestigde deze weigering en oordeelde dat verstrekking de handhavingsstrategie van de Belastingdienst zou frustreren. Appellant voerde aan dat de rechtbank onjuist had getoetst en dat een belangenafweging noodzakelijk is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het belang van belastingheffing en -invordering noodzakelijkerwijs de toepassing van artikel 35 buiten Pro toepassing laat. De Afdeling nam kennis van de relevante documenten en vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te vernietigen.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering tot verstrekking van persoonsgegevens op grond van artikel 43 Wbp bevestigd.