ECLI:NL:RVS:2017:2512
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening voor exploitatie fietstaxi ondanks afwijzing vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees op 23 maart 2016 de aanvraag van verzoeker om een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer af. Verzoeker maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, en stelde beroep in bij de rechtbank, die eveneens het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker ging in hoger beroep en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening ertoe strekt dat verzoeker zijn fietstaxi mag exploiteren alsof hij een vergunning bezit, totdat het hoger beroep is beslist. Het college hanteert een Uitvoeringsbeleid dat het aantal te verlenen vergunningen beperkt tot 100 fietstaxi’s. Verzoeker beschikt momenteel niet over een vergunning, waardoor hij zijn onderneming niet kan voortzetten.
De voorzieningenrechter vond dat de belangen van verzoeker, die financieel afhankelijk is van de exploitatie en voor wie het moeilijk is een alternatieve inkomstenbron te vinden, zwaarder wegen dan het algemeen belang bij het toepassen van het Uitvoeringsbeleid. Het college vreesde dat het treffen van een voorlopige voorziening precedentwerking zou hebben, maar deze vrees werd ongegrond verklaard vanwege de specifieke omstandigheden van verzoeker.
De voorzieningenrechter bepaalde dat verzoeker zijn fietstaxi mag blijven exploiteren als ware hij vergunninghouder, veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en tot terugbetaling van het griffierecht. De bodemprocedure zal zo spoedig mogelijk worden behandeld.
Uitkomst: Verzoeker mag zijn fietstaxi blijven exploiteren als ware hij vergunninghouder totdat het hoger beroep is beslist.