ECLI:NL:RVS:2017:2506

Raad van State

Datum uitspraak
18 september 2017
Publicatiedatum
19 september 2017
Zaaknummer
201604793/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:110 AwbArt. 8:111 AwbArt. 8:112 AwbArt. 83c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake terugkeerbesluit en inreisverbod vreemdeling

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 2 januari 2015, gewijzigd op 10 december 2015, een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd aan de vreemdeling. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die het beroep deels gegrond verklaarde door het inreisverbod te vernietigen, maar het terugkeerbesluit ongegrond verklaarde.

Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling zijn in hoger beroep gegaan bij de Raad van State. De vreemdeling stelde ook een incidenteel hoger beroep in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens uitsluiting van incidenteel hoger beroep bij terugkeerbesluiten volgens de Vreemdelingenwet 2000.

De Raad van State oordeelde dat de aangevoerde gronden in hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank konden leiden en bevestigde daarom het vonnis. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.

Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

201604793/1/V1.
Datum uitspraak: 18 september 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 juni 2016 in zaak nr. 15/1891 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 2 januari 2015, gewijzigd bij besluit van 10 december 2015, heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd en hem opgedragen Nederland en de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).
Bij uitspraak van 2 juni 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover dit het terugkeerbesluit betreft, ongegrond, en voor zover dit het inreisverbod betreft, gegrond verklaard en de besluiten in zoverre vernietigd.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, ieder hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) zijn de artikelen 8:110 tot en met 8:112 van de Awb niet van toepassing op een hoger beroep inzake een terugkeerbesluit of een inreisverbod. Derhalve is in deze zaak geen incidenteel hoger beroep mogelijk.
2.    Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk niet-ontvankelijk.
3.    Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
4.    De hoger beroepen zijn kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.    De staatssecretaris moet ten aanzien van de vreemdeling op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk;
II.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
III.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Wissels    w.g. De Keizer
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2017
716.