ECLI:NL:RVS:2017:2361
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit kindgebonden budget en toeslagpartnerschap bij gezamenlijke inschrijving
De zaak betreft het hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen bevestigde om het kindgebonden budget voor 2014, 2015 en 2016 vast te stellen met inachtneming van de toeslagpartnerschap van [persoon].
De Belastingdienst stelde vast dat [persoon] sinds 2012 op hetzelfde adres als [appellante] staat ingeschreven en dat er een minderjarig kind op dat adres staat ingeschreven, waardoor automatisch sprake is van een toeslagpartnerschap tenzij een zakelijke huurovereenkomst wordt aangetoond. [appellante] overhandigde een huurovereenkomst die onvoldoende specificeerde welk deel van de woning werd verhuurd en leverde geen bewijs van huurbetalingen over de relevante jaren.
De rechtbank oordeelde dat de huurovereenkomst en de overige stukken onvoldoende waren om het bestaan van een zakelijke huurovereenkomst aan te tonen. In hoger beroep stelde [appellante] dat er wel degelijk sprake was van huur op zakelijke gronden, met gebruik van keuken en sanitair door [persoon], en overhandigde zij aanvullende stukken zoals een lijst met huurbetalingen en foto’s. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde echter dat deze stukken onvoldoende bewijs leverden dat [persoon] een deel van de woning huurde op zakelijke gronden voor de jaren 2014-2016.
Daarmee is het besluit van de Belastingdienst om [persoon] als toeslagpartner aan te merken terecht en is het kindgebonden budget correct vastgesteld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.