ECLI:NL:RVS:2017:1815
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetes voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks matiging
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde boetes op aan appellante sub 2 en appellant sub 3 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat zij vreemdelingen zonder geldige tewerkstellingsvergunning werkzaamheden lieten verrichten in hun schoonheidssalons.
De rechtbank Rotterdam matigde de boetes op grond van omstandigheden zoals het korte tijdsbestek van de overtredingen en het ontbreken van opzet. De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging, terwijl appellante sub 2 en appellant sub 3 ook hoger beroep instelden. Het incidenteel hoger beroep van appellant sub 3 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht uitging van de verklaringen van de betrokken vreemdelingen, dat de matiging van de boetes door de rechtbank passend was en dat de boetes niet verder gematigd konden worden. Ook werd bevestigd dat appellante sub 2 als werkgever in de zin van de Wav kan worden aangemerkt, ondanks het ontbreken van een arbeidsovereenkomst of loonbetaling.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het incidenteel hoger beroep af, verklaarde het hoger beroep van appellant sub 3 niet-ontvankelijk en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten aan appellante sub 2.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de matiging van de boetes en verklaart het hoger beroep van appellant sub 3 niet-ontvankelijk en het incidenteel hoger beroep van appellante sub 2 ongegrond.