ECLI:NL:RVS:2017:1743
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 29 mei 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, legde hem een inreisverbod op en beval onmiddellijke vertrek uit Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het inreisverbod rechtsgevolgen heeft waardoor de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning. Het hoger beroep van de vreemdeling was kennelijk ongegrond. De staatssecretaris stelde terecht dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had dat de vreemdeling bij terugkeer naar Sudan een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro, mede omdat de verklaringen van de vreemdeling over zijn werkzaamheden voor de Sudanese veiligheidsdiensten ongeloofwaardig waren.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod ongegrond en tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk. De vreemdeling had onvoldoende medische onderbouwing voor toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod is ongegrond en tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk; het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond.