ECLI:NL:RVS:2017:1670
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding in asielprocedure
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 19 april 2017 besloten een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 mei 2017 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond verklaarde, maar dat zij onjuist heeft gehandeld door de staatssecretaris niet te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt. De rechtbank had een gebrek in het besluit vastgesteld, aangezien de staatssecretaris zich ten onrechte op een bepaald standpunt had gesteld, en had daarom de proceskosten moeten toewijzen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van het vonnis waarin de proceskostenveroordeling ontbrak, en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van €1.485 aan proceskosten. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De rest van het vonnis van de rechtbank bleef in stand.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank voor het nalaten van proceskostenvergoeding en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €1.485, terwijl het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.