ECLI:NL:RVS:2017:1611

Raad van State

Datum uitspraak
19 juni 2017
Publicatiedatum
20 juni 2017
Zaaknummer
201704914/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • W.G. Van Eck
  • W.G. Van Loon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Iran

De vreemdeling heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen uitzetting naar Teheran, Iran, omdat volgens zijn gemachtigde geen laisser passer was afgegeven door de Iraanse autoriteiten. De staatssecretaris zou daardoor bewust het risico nemen dat de vreemdeling wordt geweigerd, wat angst en stress zou veroorzaken.

De voorzieningenrechter heeft telefonisch contact opgenomen met de piketpleiter van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die meldde dat de uitzetting zal plaatsvinden met een EU-staat in combinatie met een identiteitsdocument, niet met een laisser passer. Tevens bleek dat de vreemdeling en zijn gemachtigde tijdig waren geïnformeerd over de uitzetting.

Er is geen aanwijzing dat de vreemdeling bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of onmenselijke behandeling. Ook is niet gebleken dat er een nieuwe asielaanvraag was ingediend. Gezien deze omstandigheden en het late tijdstip van bezwaar en verzoek tot voorlopige voorziening, ziet de voorzieningenrechter geen reden om de uitzetting te verbieden.

Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Iran wordt afgewezen.

Uitspraak

201704914/1/V2.
Datum uitspraak: 19 juni 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet.
Vandaag heeft gemachtigde van de vreemdeling, mr. B. Manawi, advocaat te Delft, bezwaar gemaakt tegen de voor 17:40 uur voorgenomen uitzetting van de vreemdeling naar Teheran. Bij faxbericht, vandaag bij de Raad van State binnengekomen om 17.12 uur, heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om deze uitzetting te verbieden.
Aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft de gemachtigde van de vreemdeling ten grondslag gelegd dat de uitzetting niet overeenkomstig de regels is, omdat door de Iraanse autoriteiten geen laisser passer is afgegeven. Door toch tot uitzetting over te gaan neemt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie volgens de gemachtigde bewust het risico dat de vreemdeling in Teheran door de Iraanse autoriteiten zal worden geweigerd, wat bij hem enorme angst en stress zal veroorzaken.
Naar aanleiding van het verzoek heeft de voorzieningenrechter telefonisch contact doen opnemen met de piketpleiter van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) om nader over de situatie van verzoeker te worden geïnformeerd.
De piketpleiter van de IND heeft bericht dat, anders dan de vreemdeling stelt, de uitzetting niet zal geschieden met een laisser passer, maar met een zogenoemde EU-staat in combinatie met een identiteitsdocument. Verder heeft hij bericht dat de gemachtigde van de vreemdeling op 15 juni 2017 omstreeks 15.10 uur en de vreemdeling op 16 juni 2017 omstreeks 13.55 uur over de voorgenomen uitzetting zijn geïnformeerd.
Vervolgens is getracht ook met de gemachtigde van de vreemdeling contact op te nemen. Zij was op dat moment echter niet meer telefonisch bereikbaar.
Uit het verzoek, noch het bezwaarschrift waarnaar in het verzoek wordt verwezen, volgt dat de vreemdeling bij terugkeer naar Iran te vrezen zou hebben voor vervolging of een wrede of onmenselijke behandeling. De gemachtigde maakte er ook geen melding van dat de vreemdeling kort voor de uitzetting een herhaalde asielaanvraag had ingediend, waarop door de staatssecretaris een zogenoemde 3.1-beslissing is genomen. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de voorgenomen uitzetting te verbieden, dan wel de staatssecretaris te gelasten de vreemdeling naar Nederland terug te brengen. Daarbij neemt hij mede in aanmerking dat, hoewel vreemdeling en zijn gemachtigde al sinds 15 juni 2017 van de voorgenomen uitzetting op de hoogte waren, zij tot 19 juni 2017 hebben gewacht met het maken van bezwaar daartegen en het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
w.g. Van Eck    w.g. Van Loon
voorzieningenrechter griffier
284.